Opgericht in 1928

 

Jan Mepschen - Even voorstellen

----------------------------------------------------------------------------------------------

Het duivenbloed raak ik nooit meer kwijt

Mijn naam is Jan Mepschen. Ik woon in het Drentse Stieltjeskanaal. Ongeveer 55 jaar geleden, als jongetje van 6 jaar, begon ik al interesse te krijgen in duiven. Overal waar ik maar een duif zag vliegen, bleef ik staan kijken waar die naartoe vloog. Maar het ging niet zo gemakkelijk om mijn ouders zo ver te krijgen een paar duiven aan te schaffen...

Hoe, weet ik niet meer, maar toch lukte me het dat mijn vader een duiventil aan de schuur maakte en ik een paar pauwstaarten kreeg. Nog wel van de toen nog bekende kleermaker Snieder Braam. Maar lang heb ik van deze duiven geen plezier gehad, want op een gegeven moment waren ze verdwenen.


Verdriet

Ik zei direct tegen de kleermaker dat mijn duiven weg waren. Hij vloog toen al met postduiven en zei: 'Dan krijg je een paar jonge postduiven. Die raak je niet zo gauw weer kwijt'. Hij gaf me veel tekst en uitleg hoe ik ze moest uitwennen. Zo gezegd, zo gedaan, en op een gegeven moment vlogen er een paar postduiven om het huis. Prachtig! Tot op een morgen mijn vader naar mij toe kwam en zei: 'De duiven zijn er niet meer'. Ik ging direct naar buiten, maar zag ze ook niet. En zo heb ik de hele dag buiten staan turen, met heel veel verdriet. Maar plots, tegen de avond, zaten de duiven weer op de til. Hoe blij ik was kun je je niet voorstellen. Het waren postduiven die er op los trekken.


Asbakkenras

Op een gegeven moment kwam er toch een einde aan, want in 1960 kocht mijn vader een boerderij in Stieltjeskanaal. Dat betekende: verhuizen. Toch ging al gauw 'mijn duivenbloed' weer stromen. Vooral mijn moeder was er op tegen dat ik weer duiven nam. Maar ik nam op een gegeven moment toch stiekem een paar kroppers mee naar huis. Geen rasduiven, maar een asbakkenras, zoals dat toen werd genoemd.


Mengelmoes

De duiven kwamen terecht tussen de kippen in het kippenhok, zodat ik geen voer hoefde te kopen. Maar dat was tegen de wil van mijn moeder: de kippen leverden iets op en die duiven kostten alleen maar geld. En in die tijd moest je wel zuinig zijn als jong gezin dat net een nieuwe boerderij had gekocht. Dus die duiven, dat vond ze maar niets. Maar er kwamen wel steeds meer bij, deels door de fok en deels door aanvliegers. En zo kreeg je een mengelmoes aan duiven rond het huis vliegen. Ze zaten overal te broeden, tot boven in de schuren. Het ging niet om de standaard, zoals nu, maar om de kleuren. Dat vond je als jongetje van een jaar of 11 mooi.


Wisselduif

Leuk om te melden is dat we ooit een witte kropper hadden die werd gebruikt op twee plaatsen. Een buurjongen ongeveer 300 m van ons vandaan vond deze doffer zo mooi, dat hij vroeg of hij deze duif lenen mocht, en daar stemde ik in toe. En wat gebeurt er op een gegeven moment: dat we de duif niet meer hoefden uit te wisselen, want dat deed deze duif zelf! De ene keer zat ze bij ons te broeden en de andere keer bij de buurjongen. En zo heb ik me tot 1970 vermaakt met deze hobby.


Professioneler

Toch vond ik dat het wat professioneler moest en ging over tot het houden van postduiven. Ik kreeg een tip van een vriend dat zijn schoonvader met de postduiven wilde stoppen. Daar ben ik naartoe gegaan en ik kreeg vier koppels mee. Nu had ik duiven, maar geen goed hok. Dus heb ik gauw met wat oud gaas dat om het huis slingerde een ren gemaakt. Nu kon ik beginnen met het fokken van jonge postduiven.


Politie

Nog geen week later had ik de politie al achter het huis staan met de toen bekende duivenmelker Jan Kruk uit Coevorden. Wat bleek: dat heel veel van zijn goede duiven waren gestolen. Ze vroegen mij of ze wel even een kijkje mochten nemen bij mijn duiven. Ze waren getipt maar wilden niet zeggen door wie. Maar dat maakte me ook niet zoveel uit, want ik had de eigendomsbewijzen van mijn duiven dus ik zei: 'Ga maar kijken'. Dat deed hij en hij merkte op: 'Als je goed wilt vliegen, moet je betere aanschaffen.'


Bunzing?

Ik hoefde de duiven niet eens zelf op te ruimen. Want een paar dagen later lagen ze op een morgen allemaal dood in het hok, met de koppen eraf. Vermoedelijk een bunzing. De keuze was toen gauw gemaakt: eerst een goed hok en dan duiven. Het mocht alleen niet zoveel kosten, want ik had niet zoveel geld. Dus heb ik via advertenties in de krant wat goedkoop hout op de kop kunnen tikken en ben ik aan het timmeren gegaan. In de herfst was het hok klaar. Toen volgde de zoektocht naar duiven. In 1971 kon ik beginnen met het fokken en vliegen met jonge duiven. Maar er moest nog wel een klok aangeschaft worden en daar hing nogal een prijskaartje aan. Wat toeval al niet kan doen: een verzekeringsagent die regelmatig bij ons aan de deur kwam, had ook postduiven, maar vloog niet meer. Ik mocht zijn klok wel lenen. Ik vloog met wisselende uitslagen, maar had er veel plezier in. En zo ging dat door tot 1974.


Dure hobby

Johanna en ik gingen trouwen en ergens anders in Stieltjeskanaal wonen. De duiven moesten overgewend worden, wat toch wel aardig lukte. In 1975 heb ik direct weer met oude duiven aan wedvluchten meegedaan. Tot 1980, toen onze eerste dochter werd geboren. Doordat Johanna gestopt was met werken en wij een kind hadden, werd het toch wel duur om met postduiven verder te gaan. We hadden op dat moment nog maar één inkomen en dat moest aan het gezin besteed worden. Ook ben ik toen gestopt met voetballen. Ik kreeg een nieuwe passie en dat werd vissen, ook een leuke sport. In 1982 werd onze tweede dochter geboren, en 1988 volgde onze zoon Martijn. Inmiddels werkte ik bij een Welkoopwinkel in Schoonebeek. Zo kwam ik daar in contact met Bert Mekkes, lid van de sportfokkers en secretaris. Hij vroeg of de vereniging wel een poster mocht ophangen voor de tentoonstelling. En zo kwam ik in gesprek met Bert hoe dat allemaal werkte. Ik kreeg ook weer trek om dieren te houden. Na alles besproken te hebben met mijn vrouw werd ik lid van de sportfokkers in Schoonebeek.


Een ramp

Ik ging niet met duiven fokken, maar met kippen: australorp zwarte kriel. 'k Heb daarmee gedurende een jaar of zes best goede resultaten gehaald. Maar ja, het duivenbloed verloochende zich niet en de kippen moesten weer plaats maken voor duiven. Dat zal omstreeks 1995 zijn geweest. De keuze werd heel gauw gemaakt. Het moesten Oudhollandse meeuwen worden. Mijn voorkeur ging uit naar rood en roodzilver. Om aan goede duiven te komen ben ik lid geworden van de speciaalclub. Wel had ik redelijk goede duiven, maar het fokken viel mij niet mee. Vooral het voeren van de jongen ging niet van een leien dakje. En dan vooral als de doffer met een dag of tien weer ging drijven, werden de jongen zo in de steek gelaten. Ik vind het heel belangrijk dat de duiven hun eigen jongen grootbrengen, en dat ging heel moeizaam. De duiven kregen na een jaar of drie ook nog eens paratyfus. Een ramp is dit. Het heeft me honderden guldens gekost om dit onder controle te krijgen. En helemaal is dat niet gelukt. Dus heb ik de meeuwen die nog over waren weggedaan.


Rollers

Op tentoonstellingen ben ik toen gaan kijken naar wat er bij mij past, ook duiven die hun jongen zelf goed kunnen grootbrengen. Mijn oog viel op Duitse Modena's in het zwart. In het jaar 2000 werd ik door een vriend getipt dat de heer Juffer plotseling was overleden en dat zijn vrouw alle duiven wilde weg doen. Ik heb contact met haar gezocht, wat nogal moeilijk voor mij was omdat ik deze familie niet kende. Ze zei dat haar schoonzoon over de duiven ging en dat ik daar maar contact mee moest opnemen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik kreeg vier koppels mee met wat jongen die in de schalen lagen. 'k Heb dit bloed nog steeds in mijn stam zitten en ben tevreden met de resultaten. Heb er steeds ook nog een vliegras bijgehouden, eerst Birmingham-rollers. Dat vond ik op het hok een mooie duif, maar de vliegkunsten vond ik minder leuk. Zeker toen een duif met het rollen op de grond viel naast de waslijn waar Johanna de was stond op te hangen. Ze kwam bij mij en zei: 'Er viel een duif op de grond en vloog daarna weer weg'. Ik heb haar maar niet gezegd hoe dat kwam, want ik wist dat ze dat maar niks vond. Dus deze duiven moesten maar weer weg. Ook omdat door de rol de valken er op in stormden.


Roofvogels

Daarna ben ik overgestapt op de Boedapester Hoogvlieger, een fraaie en levendige duif. Ik heb ze een jaar of vijf gehad, met plezier maar ook met verdriet. Het is een prachtige vliegduif, maar ik ben tot twee keer toe mijn hele collectie duiven kwijtgeraakt door slecht weer, onder andere mist. Na de tweede keer was ik er zo flauw van, dat ik de twee kweekkoppels ook heb weggedaan. Wat me wel opviel bij deze duif is, dat er na een paar maanden nog enkele terugkeerden. Zo had ik alleen de Modena's nog. Maar naast de TT-duif moet er bij mij toch een duif om het huis vliegen. Ik heb vaak op tentoonstellingen gekeken, maar kon moeilijk een keuze maken. Ooit had ik het er met Bert Mekkes over dat ik de Groninger Slenk maar niets vond. Te veel gesidder. En dat achterover leunen vond ik maar niets. Tot ik een jaar of drie geleden op een tentoonstelling enkele Gelderse Slenken aantrof. Dat vond ik wel een mooie duif, dus: aanschaffen die duiven! Op de voorjaarsbeurs van 2009 in Houten heb ik twee koppels gekocht om te fokken en dan te vliegen. De twee koppels kweekten wel goed maar met de jongen die ik losliet verliep het minder goed. Ze hadden nogal last van sperwers en soms een havik. Ik wilde toch niet al mijn duiven verliezen en heb ze toen maar weer vastgehouden. Om toch nog wat kweekkoppels over te houden voor 2011 en dan weer een nieuwe poging te wagen. En weer hetzelfde verhaal.


Nieuwe moed

Afgelopen jaar 1-11-2011 ben ik gestopt met werken, dus we gaan vol goede moed een derde poging wagen. Maar ik pak het wel anders aan. Ik ga ze laat op de middag loslaten en blijf dan in de buurt. Hopelijk krijg ik het zo beter voor elkaar dat ik de roofvogels op afstand kan houden. Jullie horen nog van mij hoe dit afloopt. Doordat ik nogal wat aan promotie deed in de Zuidoosthoek van Drenthe met de Gelderse Slenken vond ik toch ook wel dat ik aangesloten moest zijn bij de speciaalclub. In januari op de Noord Show kwam ik in contact met Pieter Jansma. Ik vroeg hem of hij nog goede Slenken over had, want de mijne blazen volgens mij te veel. Helaas had Pieter geen duiven over, want de vraag is groter dan het aanbod. Wel heb ik me een paar dagen later ingeschreven als lid bij de GGSC.


De club

En zo kon ik ook bij de voorjaarsvergadering van de Slenkenclub aanwezig zijn. Je leert er wat, hoort er nog veel meer en ik denk dat ik er wel wat mee kan en daar gaat het om. Wat me wel opviel bij het rondje voorstellen was dat de één van de Groninger Slenk hield en de ander voor de Gelderse ging. Ook waren er liefhebbers die voor beide rassen kozen. Maakt ook niet uit waar je voor kiest, als er maar liefhebbers blijven die ervoor zorgen dat beide rassen in stand blijven. Wat de standaard betreft denk ik dat er nogal wat te verbeteren valt en dan volgens mij vooral bij de Gelderse. Ik denk dat de Groninger hier verder in is. Het is toch wel heel belangrijk om het vliegen goed in stand te houden, vooral omdat er nogal wat postduivenliefhebbers stoppen met vliegen en toch een goede vliegduif om huis willen hebben. Voor de club liggen hier nogal wat kansen. Dus vooral verder gaan met promotie. Zo wens ik de club, maar ook iedere fokker, heel veel 'Slenkenplezier' en een goede fok. Nog even dit: waar 'mijn duivenbloed' vandaan komt is mij een raadsel. Noch mijn vader en moeder, noch mijn zussen en broer hebben iets met duiven. Ook mijn kinderen zijn niet geïnteresseerd. Misschien straks de kleinkinderen. Wat ik nu wel weet is, dat ik het duivenbloed nooit meer kwijtraak.

Groeten, Jan Mepschen